Skip to content

(Geo) Web 2.0, over de puzzel en de stukjes

Geo-Info, 12, 2009, jaargang 6

Een aardige invalshoek, die sociale netwerken (zie Geo-Info, augustus 2009). Maar van welke puzzel zijn (digitale) sociale netwerken nu een stukje? Wat zijn de andere stukken van de puzzel? Deze bijdrage is een kennismaking met Web 2.0 en geeft een mogelijke betekenis van Web 2.0 aan voor geo-informatie. Het blijft wat onnatuurlijk om op papier over de digitale wereld te publiceren, U moet die gewoon zelf ervaren. Dit artikel is geschreven voor hen, die nog niet thuis zijn in deze digitale wereld en dient als opstapje en uitnodiging om daar eens in rond te kijken. Want met Web 2.0 is niets veranderd, maar alles is anders.[1] En voor Geo in dat nieuwe web is dat net zo.

Web 2.0
De puzzel waarin digitale sociale netwerken een plaats hebben heet Web 2.0 (spreek uit : Web twee punt nul). Web 2.0 werd voor het eerst in 1999 genoemd, maar werd als doorbraak gezien op de eerste Web 2.0 conferentie in 2004.  De uitdrukking “Web 2.0” komt uit de softwarewereld: met een nieuw nummer verwijzen we naar een nieuwe versie van de software. In de oude versie (Web 1.0) ging het web over het verbinden van computers en het beschikbaar maken van informatie. Praktische toepassingen zijn het bekijken van websites en versturen van e-mail.

Web 2.0 gaat over het verbinden van mensen en het mogelijk maken om communities, gemeenschappen, te vormen. Participeren, interactief deelnemen, is het toverwoord.

Overigens is de term “Web 2.0” ouder dan de term “Web 1.0”. U kunt dat vergelijken met “de kleuren tv is ouder dan de zwart-wit tv”. Voor het kleuren-tv tijdperk had niemand het over een zwart-wit tv; het was ‘gewoon’ een televisie. Maar deze stap naar Web 2.0 is meer dan een nieuw soort televisie. Het Internet heeft o.a. het hele media landschap veranderd.

En voor Geo? In Web 1.0 kunnen we kaarten online bekijken, in Web 2.0 is er veel meer mogelijk. Web 2.0 heeft het geo-landschap al snel beduidend veranderd. Het mooie van deze ontwikkeling is dat er nog geen algemene erkende definities bestaan. Zo is er nog alle vrijheid om nieuwe begrippen te introduceren en er eigen interpretaties op na te houden. Ik zal kort op een aantal perspectieven van Web 2.0 puzzelstukjes ingaan: de media, de data en de technologie.

Media
Het zal U niet ontgaan zijn dat de media in de laatste jaren nogal zijn veranderd, ze zijn ‘socialer’ geworden. Het Internet (en Web 2.0) speelt bij deze ontwikkeling een bijzondere rol. Het Internet maakt “M-tot-M” relaties, echte gesprekken, mogelijk. De ‘oudere’ media waren vooral aan het zenden. Het publiek staat bij de nieuwe media zelf op het podium en het praat terug. Zo werken we samen aan de inhoud van een programma en hebben we door de groepsvorming ook invloed daarop. De mediaspelregels zijn geheel veranderd. Dat is even wennen voor de media van weleer.

Het Internet doet meer: het zuigt alle bestaande communicatie methoden in zich op: boeken, telefoon, film. En het nieuwe media landschap is globaal, sociaal, staat altijd aan en is goedkoop. Niet voor niets besteden de jongere generaties, die zijn opgegroeid in de digitale wereld, steeds meer tijd aan Internet en steeds minder tijd aan televisie.

Wat betekent dit voor Geo? De Geo-Informatie Nederland groep op Linkedin is nog wat Web 1.0, maar deze zal ook interactiever worden. RGI’s GeoReporter, waarbij filmpjes op het internet werden geplaatst en van commentaar konden worden voorzien, was wellicht wat aan de vroege kant, maar uiteindelijk zullen dit soort Web 2.0 toepassingen aan gebruik winnen. Gaat uw favoriete Geo-Info of een de andere bladen verdwijnen? Het betekent voor de Geosector dat u en ik meer invloed hebben op de media om ons heen. We zullen niet alleen artikelen online kunnen beoordelen, maar er ook onze mening over geven, zichtbaar voor allen. Wie wil er nu artikelen schrijven die door niemand worden gelezen? Of wie wil er een blad uitgeven, waar uiteindelijk niemand op klikt? Zijn daar wel sponsoren voor te vinden? Artikelen zullen in de toekomst online door meerdere auteurs worden samengesteld, en niet alleen de redactie van Geo-Info kiest een ‘beste verhaal’ van 2012: dan doen alle lezers online ook!

Data
Een belangrijk stuk van de Web 2.0 puzzel is dat de community zelf actief een bijdrage aan inhoud levert. Het meest bekende voorbeeld is Wikipedia, een online encyclopedie. Op Wikipedia worden door heel veel vrijwilligers artikelen aangeleverd en de correctie vindt vooral door andere vrijwilligers plaats. Hier komt de discussie over experts en amateurs om de hoek kijken. Hoe kan een groep amateurs nu meer weten over astrofysica dan een deskundige?

Een meer bedrijfsmatig voorbeeld: een elektronica winkelketen moet in september bepalen welke producten er in de weken voor Kerst in de winkel komen te staan. Wie bepaalt dat nu het beste? De experts van de inkoopafdeling of de groep medewerkers van de afdelingen logistiek, de kassa en verkoop? Uit onderzoek blijkt dat deze minstens zo goed of net iets beter scoren dan de experts van de inkoopafdeling. De centrale gedachte: als U de intelligentie van veel mensen kunt gebruiken, dan zal de waarheid wel in het midden liggen. Echter, de massa heeft niet altijd gelijk.

Als we ons – behoorlijk -niet lekker voelen, verdient het aanbeveling naar de dokter te gaan, in plaats van het gemiddelde advies van een internetforum over te nemen (verkoudheid..). De massa heeft het niet altijd bij het juiste einde. Zou John Lennon de finale van Popstars hebben bereikt? [2]. De kracht van de massa heeft zo zijn grenzen.

Maar wat is de ‘echte’ waarheid, zo die al bestaat? Er zijn in ieder geval zeer veel meer amateurs dan professionals. Beide groepen hebben baat bij een goede samenwerking en samen kunnen ze meer betekenen voor de maatschappij.

De betrouwbaarheid van de rapporterende TomTommer speelt een rol

Wat betekent dit voor Geo? Een bekend voorbeeld is TomTom, waar gebruikers zelf aangeven waar de kaart niet actueel is. TomTom neemt alle opmerkingen van de gebruikers mee om zo tot betere kaarten te komen. Niet alleen de hoeveelheid opmerkingen wordt beoordeeld, maar ook de betrouwbaarheid van de rapporterende TomTommer.

Voor topografische kaarten liggen hier kansen. Recent heeft Google (Maps) aangekondigd dat ze burgers bij de actualisatie van de Googlekaarten (vooralsnog alleen in de VS) willen betrekken. Zij zien al tijden de Google kaartgebruikers als lokale experts, die niet alleen thematische maar ook topografische gegevens kunnen toevoegen. Op dit onderwerp speelde OpenStreetMap al langer in: vrij beschikbare kaarten, die door de community worden opgebouwd en in stand gehouden. Ik raad u aan eens naar deze kaarten en uw eigen omgeving te kijken. Wellicht nog niet de kwaliteit die u gewend bent, maar u staat vrij hieraan een bijdrage te leveren.

Nu is de Wikipedia pagina over geo-informatie nog wat mager (en naar mijn mening, en op dit moment, niet correct), maar ik zie ook hier enorme kansen. Echter, wilt u op de informatie kunnen bouwen, dan is een regiefunctie onvermijdelijk. Meer betrokken burgers bij een actieve kaart is duidelijk een gewin voor geo-informatie. Het is de geodemocratisering ten top, waarbij de rol van de regiehouder (de eigenaar van de kaart) zeker veranderd, maar niet minder waardevol is.

Technologie
De omgang van personen en organisaties met nieuwe technologie heeft altijd mijn bijzondere interesse. Het blijkt dat bij de introductie van nieuwe technologie vaste patronen te herkennen zijn: een curve waarop de technologietrends te plaatsen zijn. Na de beginnende interesse door techneuten vlakt de hype af en ontstaat een kans op maatschappelijke en organisatorische acceptatie.

Het rekenwerk wordt in de wolk van het internet uitgevoerd

“IT is niet meer belangrijk”, schrijft Nicolas Carr. Het is een nuts-functie geworden, het is er gewoon, net als stroom uit het stopcontact. In de negentiger jaren gebruikte het bedrijf Sun Microsystems al de kreet: ‘het netwerk is de computer’; ze waren de tijd ver vooruit. Want waarom heet een PC nog Persoonlijke Computer? De bestanden staan niet meer op de PC zelf en het rekenwerk wordt ook ergens in de wolk van het internet (the cloud) uitgevoerd. In de Web 2.0 wereld zijn de spelregels van nieuwe technologie veranderend: klanten bouwen mee aan oplossingen (bouwen samen met elkaar of met de leverancier), het product wordt maar half aangeleverd (de eeuwige betaversie), er is geen promotiecampagne om de dienst of het product bekend te maken (alles via het vriendennetwerk).

In de Web 2.0 wereld ontstaan veel webdiensten, die er gewoon ineens zijn. Een voorbeeld is een laatste telg : Twitter. Terwijl ik dit artikel schrijf moet ik bekennen dat ik Twitter nog steeds niet helemaal door heb. Twitter is te vertalen als ‘kwetteren’: gebruikers van Twitter vertellen aan de wereld wat ze NU doen (of denken). Twitteren is alsof U sms’jes stuur naar uzelf, terwijl de hele wereld meekijkt. Dat kan relevant zijn voor anderen, maar ook totaal niet. Tijdens het WKPB seminar van de Gemeente Amsterdam / GIN heb ik korte gedachten de wereld ingestuurd. Het resultaat: reacties van bekenden en onbekenden, die niet bij het seminar zelf aanwezig konden zijn. Twitter kan interessant zijn, als u personen vindt die voor u zinvol van zich af praten.

Twitter kan interresant zijn, als u personen vindt die voor u zinvol van zich af praten

Maar wel apart: als de stekker nu eens uit Twitter gaat, mis ik dan wat? Wie bel ik als ik meer wil? En welke voorwaarden accepteer ik eigenlijk precies als ik op “ok” klik? Wat doet Twitter met mijn gegevens? Voor mij is Twitter duidelijk zo’n tool van : niet beredeneren, gewoon eens uitproberen. Ik leer zo een heel andere kant van mensen kennen, die ik eigenlijk maar amper kende. Het geonetwerk om ons heen is redelijk geordend. Via Twitter vormt het netwerk zich gaandeweg.

Wat betekent dit voor Geo? De ontstane webdiensten zijn niet alleen ‘altijd aan’, maar ook nog eens overal te bereiken via uw mobiel, waarbij de eigen locatie bekend is: in bijna al nieuwe telefoons zit een GPS ontvanger. Bij een Tweet (een bericht in Twitter) vul ik trouw handmatig in waar ik ben, maar dat kan ook automatisch. Daarmee kunt U lezen wat iedereen om U heen zo de wereld in stuurt. Zou dat het einde betekenen van de marktonderzoeken? Zelfs WordPress, de open source leverancier van blogsoftware, maakt het mogelijk om een locatie aan te geven als u een bericht de wereld instuurt. Een blogkaart van Nederland behoort nu tot de mogelijkheid. U krijgt inzicht in wie er wat, waar schrijft. Het geografische bewustzijn zal toenemen.

Meer geowebdiensten zullen als vanzelf online komen. Software leveranciers bieden ‘resource centers’ aan, waar bronmateriaal voor softwaretoepassingen te vinden is. Technologie wordt gemakkelijker beschikbaar en nodigt uit getest te worden. Net als bij internet bankieren maken we gebruik van geofuncties, die alleen op het internet bestaan; er is niets meer op uw pc. Dat basistechnologie er gewoon is, biedt kansen voor optimaal gebruik en verbreding van geo-informatie. De aankomende basisregistraties zullen er zeker mee gediend zijn.

Web 3.0
De uitvinder van het internet, Tim Berners Lee, is het geheel niet eens met de naamgeving “Web 2.0”. Dat het web juist kan verbinden (via twitter en wikis) was voor hem altijd al de bedoeling van het web geweest. Van Web 3.0, dat al in de definitie steigers staat, moet hij het dan helemaal niet hebben. Maar de ontwikkelingen gaan wel door: met Web 2.0 functionaliteit zullen nieuwe structuren en nieuwe verdienmodellen ontstaan. Virtuele werelden worden geïntegreerd met de echte wereld en we hebben kans op ‘echte’ 3D kaarten.

Naar mijn mening is Web 2.0 een geweldige volgende stap voor geo-informatie. Naast media, data en technologie zijn er meerdere puzzelstukjes: Web 2.0 houdt ook een andere manier van organiseren in. Dat sprak de overheid, die naar transparantie streeft, direct aan: er is zelfs een Ambtenaar 2.0 programma in het leven geroepen. De puzzel van het web is voorlopig nog niet compleet. Dat de (web)wereld een stuk opener is geworden moge duidelijk zijn. In een volgende bijdrage probeer ik wat helderheid aan te brengen bij het begrip ‘open’.

1 geleend van Eric Barbry,  Cabinet Alain Bensoussan.

2 geleend van DIGITAL MAOISM: The Hazards of the New Online Collectivism, Jaron Lanier.

Bronnen: Clay Shirky, Seth Godin (via blogs en ted.com);Jeff Howe, Don Tapscott / Anthony Williams, Gary Hamel, Nicolas Carr (zie de boekenlijst op mijn Linkedin profiel). Dank aan Edward McGillavry voor het lenen van een tweetal boeken (Crowdsourcing van Howe en Wikinomics van Tapscott/Williams).

No comments yet

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Connecting to %s

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.